WEG MET 'MR CONFUCIUS', TIJD VOOR 'MR SCIENCE'
De oprichting van de Chinese Communistische Partij

In de zomer van 1921 richtten 13 Chinezen met twee zendbodes uit Moskou de Communistische Partij van China op. De partij kwam voort uit een moderne jongerenbeweging die westerse idealen uit de Verlichting wilde verenigen met een nieuw Chinees zelfbewustzijn. Van marxisme hadden ze nog weinig verstand. In 2011 werd in China het 90-jarige bestaan van de partij gevierd (foto).

De 13 Chinezen die met twee afgevaardigden van de Communistische Internationale bijeen kwamen in een grijs met roze geschilderde woning aan de Straat van de Vreugdevolle Onderneming in Shanghai, vertegenwoordigden alles bij elkaar 57 mensen uit heel China die zich communist noemden. In werkelijkheid wisten de meesten nog nauwelijks wat communisme was, terwijl de twee voormannen van het prille Chinese marxisme, Chen Duxiu en Li Dazhao, respectievelijk decaan en bibliothecaris aan de Universiteit van Beijing, juist ontbraken. Een weinig indruk makende aanwezige was de onderwijzer Mao Zedong, een rauwe ongewassen klant, die in de ochtenden te laat kwam omdat hij uitsliep en ook nog een aantal dagen miste omdat hij liever het Westelijke Meer ging bezichtigen in Hangzhou. Ondanks de wankele omstandigheden werd in juli van dat jaar aan de Straat van de Vreugdevolle Onderneming de Chinese Communistische Partij opgericht en zijn de dagenlange vergaderingen daarover de geschiedenis in gegaan als het Eerste Partijcongres.

In China heerste allang grote onrust. De keizerlijke despotie had weerstand opgeroepen, maar nog belangrijker was de verontwaardiging over de onmacht van de heersers tegenover buitenlandse inmenging door imperialistische machten als Groot-Brittannië, Frankrijk, Duitsland, Japan en de Verenigde Staten. Gewapenderhand hadden zij China gedwongen de import van opium toe te staan en ze brachten de grote havensteden onder hun controle zodat ze de handel konden beheersen. Nog altijd noemen Chinezen de periode van buitenlandse bemoeienis een tijdperk van vernederingen en de woede erover is nog steeds niet helemaal verdwenen.

In 1911 maakte een revolutie een einde aan ruim 270 jaar heerschappij van de Manchu of Qing-dynastie. Keizer Puyi werd de laan uit gestuurd en China werd een republiek. De leider van de opstand was Sun Yatsen, een boerenzoon die arts was geworden. Een verlichte nationalist met sociaaldemocratische trekken. Ondanks al zijn ideologische invloed kon hij na 1911 niet voorkomen dat dubieuze politieke leiders in verschillende steden een eigen regime inrichtten en regionale warlords met hun rooflegers eigen territoria afbakenden. China raakte in staat van burgeroorlog.

Jongeren en vooral studenten keerden zich in deze jaren af van het oude China, van wat ze 'onwetendheid en bijgeloof' noemden. Hun Beweging voor Nieuwe Cultuur was georiënteerd op Verlichte westerse ideeën. De trefwoorden waren democratie en wetenschap. Het moet afgelopen zijn met 'Mr. Confucius', het wordt tijd voor 'Mr. Science', schreef het grootste blad van de beweging. In de moderne maar strenge levensstijl van de jongeren gingen vrijheid, individualisme en vrouwenemancipatie samen met studie ten dienste van het land.

In 1919 veranderde de beweging van karakter. Aan het andere einde van de wereld werden na afloop van de Eerste Wereldoorlog de vredesonderhandelingen van Versailles gehouden. Hier werd besloten de Chinese provincie Shandong aan Japan te geven. Voorheen was Shandong Duits gebied geweest en China dankt daar nog altijd zijn grootste biermerk Tsingtao aan, gegrondvest door Duitse brouwers. De geallieerden hadden beloofd dat China het gebied terug zou krijgen en braken hun woord. Tegen dit verraad werden vanaf 4 mei 1919 in heel China massademonstraties gehouden, die vooral werden georganiseerd door studenten. De politieke 4 mei-beweging was geboren.

Onder jongeren bestond belangstelling voor uiteeenlopende Westerse richtingen. De Britse humanistische filosoof Bertrand Russell en de Amerikaanse propagandist van het politieke pragmatisme John Dewey hielden in China lezingen voor een massapubliek. Veel sympathie was er voor het Europese anarchisme en voor het eerst ontstond nu ook noemenswaardige belangstelling voor het marxisme. De Russische revolutie, die in 1917 nauwelijks indruk had gemaakt, werd alsnog een voorbeeld. Een deel van de opstandige jeugd bleef studeren, anderen geloofden niet meer in het effect van educatie of goede bedoelingen: om iets te bereiken moest de strijd om de politieke macht worden aangegaan en het marxisme werd de leidraad daarvoor. Net als in Europa kreeg de Verlichting zo ook in China twee gezichten. Aan de ene kant stonden de rede en de redelijkheid, waarvan de vraag was of ze werden gehoord, aan de andere kant dreigde een toekomst van bloed en dictatuur.

Veel hielden de marxistische ideeën aanvankelijk niet in. De ontwikkelingsgang van Mao Zedong is illustratief. Als aanhanger van de Beweging voor Nieuwe Cultuur trok hij in 1918 vanuit zijn provincie Hunan naar Beijing, waar hij tussen zijn slecht betaalde baantjes door vooral boeken las. De Russische anarchist Peter Kropotkin was een van zijn favoriete auteurs. Pas terug in Hunan werd hij actief in de 4 Mei Beweging, organiseerde studentendemonstraties tegen de regionale warlord en richtte een radicaal blad op. Lang duurde het niet of hij moest vluchten voor de repressie. Weer in Beijing las hij in 1920 het Communistisch Manifest. Hij noemde zich voortaan marxist en bij een nieuwe terugkeer naar Hunan, waar hij hoofd van een school werd, richtte hij zeven linkse boekhandels op en organiseerde studiegroepen over Rusland. Toch was zijn voornaamste politieke streven de onafhankelijkheid van de provincie Hunan te bewerkstelligen onder leiding van een verlichte warlord. Zelfs nadat hij op zijn manier de communistische partij mee had opgericht, pasten zijn ideeën aanvankelijk meer bij de Beweging voor Nieuwe Cultuur dan in het communistische straatje.

Al in een eerder stadium had de jongerenbeweging vooral de vorm aangenomen van studiegroepen, die te vinden waren in steden in het hele land. Het lidmaatschap hield heel wat meer in dan vrijblijvend debat. De leden verleenden elkaar wederzijdse bijstand en werden geacht zich te houden aan een strenge moraal, want ze geloofden dat de toekomst van China in hun handen lag. Terwijl Confucius had geleerd dat solitair blijven de voorwaarde was voor morele integriteit, geloofden de jongeren in een collectieve leefwijze, om zich zo gezamenlijk teweer te kunnen stellen tegen het bederf dat ook na de revolutie van 1911 overal om zich heen greep. Een aantal van deze groepen werden uiteindelijk plaatselijke communistische organisaties. Hun behoefte zich landelijk te verenigen leidde vervolgens tot de oprichting van de communistische partij, waar de leefwijze uit de studiegroepen ten dele werd voortgezet.

Anders dan vaak is beweerd, speelde Moskou maar een beperkte rol in het ontstaan van het Chinese communisme. De zendbode van de Communistische Internationale (Comintern) Henk Sneevliet, alias Maring, was bijzonder actief in China en ging bij verschillende groepen langs, maar de meeste hadden al onderling contact voor hij verscheen en zijn rol lijkt vooral bemiddelend te zijn geweest. De Nederlander Sneevliet had enkele jaren ervaring in de antikoloniale strijd op Java en had op een congres van de Comintern de aandacht van Lenin getrokken, die hem naar China stuurde. Met Comintern-man Nikolsky vertelde hij de Chinezen wat hen volgens Moskou te doen stond. De arbeiders in de steden dienden te worden georganiseerd tegen het kapitaal zodat vervolgens de dictatuur van het proletariaat kon worden gevestigd. Hierbij moest de partij onafhankelijk blijven en zich niet inlaten met de nationalisten rond Sun Yatsen, de andere revolutionaire kracht in het land. Het Chinese oprichtingscongres stemde hiermee in, maar na afloop keerden de plaatselijke organisaties terug naar waar ze vandaan kwamen en deden wat henzelf goed dunkte. De partijleiding in Shanghai was weinig meer dan een contactadres. En niet te vergeten een uithangbord, want Chen Duxiu werd in zijn afwezigheid tot algemeen secretaris gekozen. Als woordvoerder en ideoloog van de Beweging voor Nieuwe Cultuur was hij al jaren een begrip in het land.

Hoe weinig succes de Chinese Communistische Partij niettemin in haar beginjaren had, is te zien aan de lidmaatschapscijfers. Vier jaar na de oprichting waren er in het hele immense land zegge en schrijve duizend leden. Af en toe konden de communisten een rol spelen in een arbeidersactie of een vakbond, zoals in Mao Zedongs thuisprovincie Hunan, waar de arbeidersbeweging het sterkst was. Maar verder bleef de partij geïsoleerd en ver verwijderd van het dagelijkse leven van de gewone Chinees. Voor het Tweede Partijcongres kwam Sneevliet weer naar China, waar hij een nieuwe koers aankondigde. Moskou vond nu dat er juist wel moest worden samengewerkt met de nationalisten. Mao was afwezig omdat hij het adres was vergeten, maar het congresbesluit in de Kuomintang van Sun Yatsen te gaan werken paste helemaal in zijn eigen plannen. Even later was hij zowel lid van het centrale comité van de communistische partij als lid van het uitvoerend comité van de Kuomintang. Waarschijnlijk hechtte hij meer waarde aan deze laatste functie: in de Kuomintang was hij de eerstverantwoordelijke voor het werk onder boeren. Al waren er ook communisten die geloofden in de boeren als revolutionaire factor, de partij was te versplinterd om er veel mee te kunnen aanvangen. De Kuomintang bood Mao de mogelijkheid de organisatie van boeren met veel daadkracht ter hand te nemen.

Intussen ontstonden er ook in Europa Chinese communistische groepen. Enkele duizenden jongeren waren in een beweging die 'studeren en werken' werd genoemd, naar het westen getrokken, eerst per boot naar de havenstad Marseille, vandaar verder met de trein naar diverse bestemmingen, vooral Parijs en Berlijn. Ze gingen 'van het westen leren om China te redden'. De meesten betaalden hun studie met baantjes aan de rafelranden van de Europese metropolen. Een van de weinige uitzonderingen was de latere premier Zhou Enlai, een zoon uit een bemiddelde familie met een studiebeurs. De jongste van allemaal was Deng Xiaoping, die China van eind jaren negentienzeventig tot in de jaren negentig zou leiden. Hij kwam op zijn vijftiende in Frankrijk aan en werd daar metaalarbeider. Toen hij in de jaren tachtig verklaarde dat China van het westen moest leren, was dat een terugkeer naar zijn jeugd. En er wordt meteen nog wat duidelijk: bijna tot het einde van de Twintigste Eeuw is communistisch China geleid door mensen die in de jaren tien al tot de jeugdbeweging behoorden en die tot elke prijs een einde wilden maken aan het soort buitenlandse krenkingen waaraan het land toen ten offer viel.

Langzamerhand kwamen de studenten uit Europa terug en een aantal van hen werd lid van de communistische partij. Deze slaagde er pas vanaf 1925 beter in contact te raken met 'de massa's'. In plaats van 1000 leden waren er twee jaar later 57.000. Daar waren wel kunstgrepen voor nodig geweest. De partij verbond zich met bandietenbendes en triades, een praktijk die was afgekeken van de Kuomintang, maar eerder door de prille communisten als immoreel was afgewezen. Terecht, zoals even later zou blijken. Na de dood van Kuomintang-leider Sun Yantsen in 1925 zwenkte zijn partij onder leiding van Chiang Kaishek naar een autocratisch nationalisme. In april 1927 lanceerde Chiang een verrassingsaanval op de communisten, waarbij alleen in Hunan al 30.000 mensen werden vermoord omdat ze van communisme werden verdacht. De bendes waarmee de partij zich had verbonden, bleken in dit uur van de waarheid natuurlijk niet te vertrouwen.

Het meest bekend gebleven zijn de gebeurtenissen in de haven- en industriestad Shanghai, die door de Franse schrijver André Malraux zijn vereeuwigd in zijn roman La condition humaine (Het menselijk tekort). In een hechte samenwerking tussen de Kuomintang en Shanghaise gangsterbendes werden de vakbonden die onder communistische invloed stonden met geweld ontbonden. Vakbondskantoren werden aangevallen, 700 mensen werden gedood, 5000 verdwenen er om nooit meer terug te worden gevonden. Er kwamen nieuwe vakbonden voor in de plaats onder leiding van gangsterbaas Du Yuesheng, een figuur van wie de invloed te vergelijken is met die van Al Capone in Chicago, met een imperium in de opiumhandel, de prostitutie en het gokken en bovengronds een grote scheepswerf en een paar banken. Chiang Kaishek was nu gevestigd als staatshoofd van China en Du Yuesheng bleef zijn belangrijkste bondgenoot in Shanghai.

Te midden van al dit geweld raakten de communisten totaal gedesoriënteerd en vanuit hun zwakke positie kwamen ze in opstand, met nog meer doden tot gevolg. Binnen de Kuomintang rekende Chiang Kaishek ook nog af met de meer ruimdenkende aanhangers van Sun Yatsen. In de steden werden de communisten vrijwel weggevaagd en de restanten van de partij trokken zich terug op het platteland. De laatste leden van de partijleiding die in Shanghai nog ondergronds verder probeerden te werken, moesten in 1933 vluchten naar een communistisch basisgebied dat intussen in de provincie Jiangxi was ontstaan onder leiding van Mao Zedong.

Met behulp van boerenlegertjes konden verschillende communistische territoria worden gecreëerd, tot Chiang Kaishek ook die aanviel. In 1934 en 1935 moesten de communisten met hun aanhang de wijk nemen. Na barre tochten over bergketens en woeste rivieren, een reeks gebeurtenissen van Bijbelse allure die bekend zijn gebleven als De Lange Mars, kwamen de overgebleven scharen aan in een gebied in de provincie Shaanxi. Yan'an werd vervolgens de uitvalsbasis van waaruit de communisten hun strijd voortzetten tegen de Kuomintang en tijdens de Tweede Wereldoorlog tegen de Japanners. In hun revolutie was niet langer een hoofdrol weggelegd voor de arbeiders uit de grote stad. De boerenbevolking waarbij ze in 1927 noodgedwongen hun toevlucht hadden moeten zoeken, zou de basis blijken voor de machtsovername van 1949 en de stichting van de Volksrepubliek China.

Hans Schoots, verschenen in Historisch Nieuwsblad 9-2011

Meer lezen...

Hans J. van de Ven, From Friend to Comrade. The Founding of the Chinese Communist Party 1920-1927. Cambridge 1991. De Nederlander Hans van de Ven is hoogleraar aan de Universiteit van Cambridge. Hij had toegang tot Chinese archieven in de periode waarin westerse onderzoekers daar het meest welkom waren. Zijn boek is dan ook nog steeds actueel.

Rana Mitter, A Bitter Revolution. China's Struggle with the Modern World. Oxford 2004. (Over de invloed van de 4 mei Beweging).

Tony Saich, The origins of the First United Front in China (2 delen), Leiden 1991. (Documenten uit de eerste jaren van de Chinese Communistische Partij uit de archieven van Henk Sneevliet met een uitvoerige analyse door Tony Saich).

Max Perthus, Henk Sneevliet, Amsterdam 1976.

Ezra Vogel, Deng Xiaoping and the Reconstruction of China. Cambridge (Mass.) 2011.

Biografieën van Mao Zedong door o.a. Jonathan Spence, Ross Terrill en Philip Short.

 

^