
Frits Bolkestein slaagde er in 1998 met zijn boek Onverwerkt verleden
weer eens in iedereen op het verkeerde been te zetten. Ex-CPN-fractievoorzitter
Ina Brouwer had in het televisieprogramma Buitenhof met het oog op de komst
van het boek nog op dreigende toon aangekondigd dat zij Bolkestein zou 'blijven
volgen'. Alsof tijden van weleer herleefden. Commentatoren liepen zich alvast
warm voor een schriftelijke confrontatie, maar
toen het boek er was bleek het een heel andere inhoud te hebben dan verwacht.
Onverwerkt verleden bevat wel enkele deels oudere stukken over Nederland,
maar bestaat voornamelijk uit interviews die Bolkestein in de loop der jaren
heeft gehouden met een aantal belangrijke figuren van binnen en buiten Oost-Europa's
communistische gevestigde orde. Twee van hen, Stefan Olszowski en Jirí
Pelikán, ontmoette hij voor het eerst toen hij in 1956 als Amsterdams
student voor de ASVA aanwezig was op een congres van de communistisch georiënteerde
International Union of Students. Olszowski werd later minister van buitenlandse
zaken van Polen en Pelikán ontwikkelde zich van een prominent Tsjechisch
communist tot dissident. Andere geïnterviewden zijn de Duitse schrijver
Heiner Müller, de Hongaarse liberaal Viktor Orbán, de bisschop
van het Roemeense Timisoara László Tökés en de Hongaarse
schrijver Gyorgy Konrád. De soms ongewoon lange vraaggesprekken zijn
stuk voor stuk grondig, onderzoekend en verhelderend over wat zich in de afgelopen
halve eeuw in het Oosten heeft afgespeeld.
Maar vriend en vijand verwachtte een uitwerking van de opvattingen die Bolkestein
op 15 november 1997 naar voren had gebracht in een tweegesprek met publicist
Ian Buruma in Het Parool. Hij verklaarde toen dat de ondergang van
het Nederlandse communisme niet onbesproken kon passeren en dat de betrokkenen
verantwoording dienden af te leggen, een mening die hij ook in 1995 al
eens had geuit.
Bolkestein wilde over het communisme blijkbaar een soort Brede Maatschappelijke
Discussie in het klein. Hoe die naar zijn mening moest worden gevoerd, bleef
in het midden en ook Onverwerkt verleden gaf daarover niet veel meer
duidelijkheid. Een debatavond die vermoedelijk wel wat aan zijn wensen tegemoet
kwam, vond eind jaren negentig plaats in het Amsterdamse Paradiso, waar onder meer
enkele ex-communisten de degens met hem kruisten en hij goede reden had zichzelf
als overwinnaar te beschouwen.
De behoefte aan een moreel oordeel over het Nederlandse communisme, inclusief
de handel en wandel van de daarbij betrokkenen, is te begrijpen in het licht
van de geschiedenis van de twintigste eeuw, waarop het communisme zo'n groot
destructief stempel heeft gedrukt. Alleen: hoe zou die verantwoording in zijn werk moeten gaan? Je kunt iemand
moeilijk dwingen. Kort voor Onverwerkt verleden verscheen zei Jaap
Wolff, decennia lang behorend tot de kwalijkste hardliners binnen de CPN-leiding, tegen Het Parool: 'Ik heb geen zin om op bevel van een demagoog
als Bolkestein mijn zegje te doen. Bovendien: sommigen van ons werken aan
hun memoires - mijn broer Joop bijvoorbeeld.' Zo dienden Bolkestein en 'm'n
broer' voor de demagogische Wolff als voorwendsel om er het zwijgen toe te
doen. En dit voor iemand die, met anderen, mensen in het ongeluk heeft
gestort door ze in het wilde weg te beschuldigen van collaboratie met de nazi's,
tot de eigen voorman uit het verzet Gerben Wagenaar aan toe.
Degenen die wel wilden praten stonden logischerwijs toch al kritisch tot afwijzend
tegenover het communisme. Bolkestein zei in november 1997 tegen Het Parool:
'Nogal wat toonaangevende intellectuelen, schrijvers en columnisten, kortom
de klagende klasse, stonden - zoals het toen werd genoemd - genuanceerd
tegenover het communisme. Nu lopen ze met een pakje boter op hun hoofd en
hebben ze geen enkel belang bij het oprakelen van dit onderwerp.' Dat klopt
voor een aantal mensen, er staan er tegenover die de discussie
wel wilden voeren. Een aantal was zelf al de confrontatie aangegaan met het
eigen verleden, van Gijs Schreuders met zijn boek De man die faalde
en een paar auteurs in de bundel Alles moest anders, tot en met ex-maoïst Koos van Zomeren en Albaniëganger
Rudie Kagie, die over het Lichtbaken van het Socialisme op de Balkan De
papieren heilstaat publiceerde. Verder bevatten de tien, vijftien voorafgaande
jaargangen van De Groene Amsterdammer heel wat bijdragen die in dit
kader pasten. En werd Gerry van der List, de eerste liberale columnist van
de Volkskrant, niet aangetrokken door de redactie van de Forumpagina
waar ex-communist Arnold Koper de scepter zwaaide? Voor de goede orde vermeld ik er maar bij dat ik zelf ooit ook ben bezweken voor de totalitaire verleiding en toen geloofde dat Mao de wereld wat goeds te brengen had.
De essentie van het communisme was 'liegen, altijd maar liegen', zei de bisschop
van Timisoara tegen Bolkestein. Logisch. Men moest doen alsof men zich in
de hemel bevond, terwijl men in werkelijkheid in de hel was, in Roemenië
al helemaal. Het Nederlandse communisme in zijn diverse varianten heeft jaar
in jaar uit geprobeerd het publiek - vaak trouwens vooral zichzelf - een rad
voor ogen te draaien over de omstandigheden in de socialistische landen. De
CPN keerde zich eind jaren zeventig nog tegen steun aan Sovjet-dissidenten,
noemde Andrej Sacharov een 'wolf in schaapskleren' en sprak van 'schreeuwers
over "mensenrechten",' terwijl maoïstische clubjes de macabere
successen van de Culturele Revolutie aanprezen.
Dit alles met assistentie van fellowtravellers, die met het ophemelen van
zulke paradijzen soms nog verder gingen dan de communisten zelf. Ik geloof
dat het IISG-directeur Jaap Kloosterman was, die in 1978 de meest treffende
omschrijving gaf van de fellowtraveller: 'Hij neemt het woord dat aan anderen
ontnomen is.' Nadezjda Mandelstam, vrouw van de grote dichter die omkwam in
de Goelag, vervloekte in haar memoires 'de Aragons en de Sartres', die de
vrijheid hadden de toestand in de Sovjetunie bekend te maken, maar lange tijd
bewust zwegen. Voor zowel communisten als meelopers geldt, dat ze uit overtuiging
of onverschilligheid degenen hebben laten barsten die in naam van het socialisme
werden vervolgd of omgebracht, waardoor zij zich dan wel niet praktisch, maar
toch moreel medeverantwoordelijk hebben gemaakt.
De CPN ging een stap verder door zich nog eind jaren zeventig beschikbaar
te stellen als direct verlengstuk van de buitenlandse politiek van de Sovjetunie.
Het Comité Stop de Neutronenbom werd door CPN-ers geleid in coördinatie
met en medegefinancierd door Moskou. Zeker, partijleider Paul de Groot streefde
in de jaren zestig een tijd naar autonomie tegenover het socialistische vaderland,
maar in 1956 had hij nog bij de Sovjet-ambassadeur in Den Haag geïnformeerd:
'Kan Nederland rekenen op wapens van de Sovjetunie bij de overgang naar staatkundige
neutraliteit?' Hem zweefde toen een Nederlandse uittreding uit het Westerse
bondgenootschap voor ogen die gevolgd zou worden door een heel speciaal soort
neutraliteit. De CPN-onafhankelijkheid had iets betrekkelijks en werd afgewisseld
met perioden van liefde voor de Sovjetunie, ondermeer aan het einde van de
jaren zeventig en het begin van de jaren tachtig.
Maar streefde de CPN ook naar een 'dictatuur van het proletariaat' in leninistische
trant? Waarschijnlijk wist Paul de Groot het zelf niet eens. Ruim dertig jaar
lang was er geen partijprogramma en het dagelijks bestuur deed wat in haar
opkwam. Door de loop der dingen werd de parlementaire democratie op den duur
een vanzelfsprekende staatsvorm voor de CPN. Was de partij machtiger geworden,
dan had zij niettemin een maatschappelijke bedreiging kunnen zijn door haar
eigen ingebakken ondemocratische werkwijze en het half-paranoïde en met
willekeur gepaard gaande gedrag van de partijleiding De Groot, die tot 1977
domineerde en ook na De Groots vertrek nog invloed op de algehele atmosfeer
in en rondom de CPN had. Binnen de partij bestond meer stalinistische psychologie
dan stalinistische theorie. Nadat De Groot was uitgerangeerd, waren er niettemin
zelfs onder zijn vroegere vertrouwelingen mensen die nu toch echt op democratisering
van de CPN aanstuurden, onder wie Henk Hoekstra.
Wanneer ex-communisten en fellowtravellers moreel niet vrijuit gaan, had
Bolkestein dan gelijk, toen hij zei dat er met twee maten gemeten wordt bij
nazistische en communistische misdaden? Dat ex-communisten het gemakkelijker
hadden komt natuurlijk grotendeels doordat de CPN een andere rol had in de
Tweede Wereldoorlog: we hebben wel een Duitse maar geen Sovjetbezetting gehad.
Terzijde is het aardig op te merken dat het vergelijken van de twee totalitaire
systemen tot in de jaren zestig tot de vaste geloofsartikelen van de sociaaldemocratie
behoorde. Bolkestein vergelijkt vooral het wrange lot van ex-NSB-ers die praktisch
niets hadden misdaan, met het maatschappelijke succes van een aantal voormalige
communistische woordvoerders. Er waren inderdaad duizenden papieren NSB-leden,
die óók alleen maar uit de verte moreel medeverantwoordelijk
waren voor gepleegde wandaden en die zich persoonlijk niet misdroegen. Als
het meezat werden ze nog jaren met de nek aangekeken en bleef het daarbij.
Zelf heb ik na de verschijning van Sietze van der Zee's memoires Potgieterlaan
7 verschillende Amsterdamse journalisten horen zeggen dat Van der Zee
er goed aan had gedaan niet eerder te praten over het NSB-verleden van zijn
vader. Van der Zee was tot eind jaren negentig hoofdredacteur van Het Parool
en was dat volgens deze zegslieden waarschijnlijk niet geworden als zijn familieachtergrond
eerder bekend was geweest. Wanneer dat waar is, is het meer dan treurig. Het
onrecht dat veel NSB-ers en hun kinderen is aangedaan, overigens nogal eens
aangevuurd door De Waarheid, laat zien dat mensen niet als deel van
een groep moeten worden beoordeeld, maar op wat ze als individu hebben gedaan.
Als voorbeelden van personen die hun verleden niet hebben afgezworen noemt
Bolkestein in Onverwerkt verleden voornamelijk oude bekenden: Harry
Mulisch, Wim Wertheim, Ina Brouwer, Elly Izeboud. Mulisch is auteur van het
propagandaboek over de Cubaanse revolutie Het woord bij de daad (1968)
en de publicatie De affaire Padilla (1971), waarin hij Fidel Castro
verdedigde nadat die de schrijver Heberto Padilla gevangen had gezet. Nog
eerder zal een kameel door het oog van een naald gaan dan dat Mulisch de bedenkelijkheid
toegeeft van zijn schrijfsels over Cuba. Hij vindt nu eenmaal dat het van
karakter getuigt wanneer iemand zijn hele leven dezelfde opvattingen blijft
herhalen, onafhankelijk van de vraag of ze juist zijn. Hoe weinig tegenspraak
hij duldt ondervond toenmalig Volkskrant-columnist Stephan Sanders,
die het onderwerp ter sprake bracht, waarop Mulisch probeerde zijn verwijdering
bij het dagblad te bewerkstelligen. De inmiddels overleden Wim Wertheim was
hoogleraar sociologie en tot het einde een onverbeterlijk bewonderaar van
Mao. Hij was daarover al eindeloos met kracht van argumenten aangevallen,
zonder dat het hem ervan weerhield vervolgens nogmaals honderden lovende pagina's
te wijden aan de rigoureuze maatschappijhervormingen van de Grote Roerganger.
Organisatiesociologe Izeboud en juriste Brouwer behoorden in de jaren tachtig
als partijvoorzitter respectievelijk fractieleider tot de CPN-leiding. Brouwer,
Izeboud en de rest van de toen al gematigde CPN-top maakte in de nadagen van
de partij nog eigen leden monddood, die zelf hadden waargenomen hoe het Rode
Leger zich in 1945 in het net bevrijde kamp Ravensbrück had schuldig
gemaakt aan verkrachting van vrouwelijke gevangenen. Wel verklaarde Brouwer
in het televisieprogramma Buitenhof dat de CPN begin jaren zeventig al een
democratisch functionerende organisatie was. En zij en Izeboud waren niet
eens van de harde lijn. Tezelfdertijd demonstreerde Brouwer ter ondersteuning
van Solidarnosc en Oosteuropese dissidenten. Het partijbestuur waartoe zij
behoorden had het alleen te druk met het bewerkstelligen van een onmogelijke
'eenheid' tussen vernieuwers en orthodoxen in een snel instortende partij,
om over essentiëlere zaken te kunnen nadenken. Zoals vaker bij overleefde
instituties was de instandhouding van de organisatie een doel op zich geworden.
Het moet deze poging zijn geweest, om ondanks alles de gestaalde kaders te
vriend te houden, die Brouwer er tot het laatst uit plaatsvervangende nostalgie
van heeft weerhouden te erkennen wat er mis was met de CPN.
Er resteert eigenlijk nog maar één groot meningsverschil over
het communisme. Op een verdwaalde enkeling na ontkent niemand nog de rampen
die het heeft veroorzaakt, maar de overtuiging dat ze een ontsporing waren
van een 'oorspronkelijk nobel idee', zoals Theun de Vries het in de jaren
negentig nog in De Groene Amsterdammer uitdrukte, is hardnekkig. Volgens
die redenering is iemand met grootse toekomstvisioenen altijd beter dan iemand
zonder zulke visies - ondanks de tientallen miljoenen die in de twintigste
eeuw slachtoffer zijn geworden van het streven naar de utopie. In het verlengde
ligt de gedachte dat het er vooral om gaat of de bedoelingen goed zijn. Zoals
de Cambodjaanse leider Pol Pot zei, nadat hij zijn slachtoffers had gemaakt:
'Ik heb een rein geweten.' Als er één conclusie uit de moderne
geschiedenis getrokken kan worden is het wel deze dat de weg naar de hel is
geplaveid met goede bedoelingen. Er zullen altijd sta-in-de-wegs zijn, desnoods
miljoenen, die weg moeten omdat ze niet mee willen marcheren naar het wenkende
heil en dus de schone toekomst in gevaar brengen. De terreur is dan ook geen
ontsporing, maar een bestanddeel van het politieke utopisme, zodra het in
praktijk wordt gebracht. Zoals Bolkestein terecht heeft opgemerkt: het gaat
niet om de bedoelingen maar om de resultaten.
'Hoe is het nou toch mogelijk dat zoveel intellectuelen zich door een onmenselijk
stelsel in de luren hebben laten leggen?' vraagt Bolkestein in zijn nawoord
bij Onverwerkt verleden. Hij haalt drie verklaringen aan. Ten eerste
die van François Furet, die de aantrekkingskracht van de bolsjewistische
revolutie verklaart uit het idee dat het daarbij ging om een verderontwikkeling
van de Verlichting. Ten tweede die van Jean-François Revel, die meende
dat intellectuelen denken alles beter te weten en daarom de dienst willen
uitmaken. Ten derde die van Václav Havel, die verwijst naar de aantrekkelijkheid
van sluitende verklaringen en alomvattende oplossingen, die in hun abstractheid
juist voor intellectuelen verleidelijk zijn. In allemaal zit wel wat, vindt
Bolkestein, maar 'het aspect dat ik mis, is de eenzaamheid die de werkelijke
intellectueel kenmerkt maar waarvoor de meeste would-be intellectuelen
terugschrikken. Die doet hen zoeken naar nieuwe ankers.'
Ik ben zo vrij te citeren uit mijn biografie van filmmaker Joris Ivens, waarin
ik over zijn aansluiting bij de communistische beweging schreef: 'Waren het
vroeger zijn ouders geweest die vol liefde zijn leven voor hem uitstippelden
en daarvoor onderschikking aan het familiebelang verwachtten [hij moest zijn
vader opvolgen in de zaak], nu waren het de partij en de arbeidersklasse die
deze rol vervulden. Hij kreeg er een gevoel van geborgenheid voor terug, het
gevoel ergens bij te horen, een denkkader waarin de wereld geruststellend
werd verklaard.' Ik herken dit erbij willen horen zelf ook wel, maar wat mij
indertijd vooral trok was de utopie als zodanig, de voorstelling van een nieuwe
harmonieuze wereld die - helaas - slechts bereikt kon worden door veel Strijd.
Voor de welvaartskinderen van de jaren zestig en zeventig, wier bedje gespreid
was, waren er bijzondere factoren die naar het communisme konden leiden. Zoals
het schuldgevoel dat hen bekroop wanneer zij via de net wat eerder in zwang
geraakte televisie werden geconfronteerd met elders heersende armoede en niet
te vergeten de Vietnamoorlog. En een leven aan de zijde van het proletariaat
eiste offers, maar bracht ook opwinding en avontuur. Alles voor het goede
doel!
Frits Bolkestein, Onverwerkt verleden. Prometheus, 280 p.
© Hans Schoots. Update van een artikel in Vrij Nederland.