
Met onderaan een update van zomer 2010.
Kort na de tweede wereldoorlog, een halve eeuw na het ontstaan van de cinema, waren er in Nederland wat mensen, die vonden dat films toch eigenlijk voor het nageslacht bewaard moesten worden. Voor de oorlog waren er sporadisch ook al gedachten in die richting geweest, maar pas erna kwam er iets substantieels van de grond. In die jaren was het nog heel gewoon dat distributeurs hun films na gebruik vernietigden.
Enkele verlichte geesten uit de filmwereld, de voorzitter van de filmkeuring David van Staveren en de bioscoopexploitanten Piet Meerburg en Paul Kijzer, richtten in 1946 het Nederlands Historisch Filmarchief op. Niet helemaal duidelijk is of ook de filmverzamelaar Jan de Vaal bij de oprichting was. Hij was wel degene die dit aanvankelijk piepkleine instituut in een achterkamertje van de Amsterdamse bioscoop Kriterion ging bestieren en in 1947 Meerburg als directeur opvolgde. De Vaal was dus niet de eerste directeur van het Filmmuseum, in tegenstelling tot wat vaak wordt beweerd. Tot de vroege aanwinsten behoorde een voorraad films die bij de Amsterdamse bioscoop De Uitkijk vandaan kwam, maar eigenlijk een erfenis was van de vooroorlogse Nederlandsche Filmliga. Het waren ondermeer avant-gardefilms, die ooit door de Liga naar ons land waren gehaald. Sommige ervan waren zeldzaam of zelfs uniek en het Filmarchief werd zo een instelling die internationaal kon meedoen.
Nadeel was wel dat de Filmliga, die werd opgericht in 1927, in het Filmmuseum decennia lang min of meer als het beginpunt van de Nederlandse filmgeschiedenis is beschouwd, terwijl er toch dertig jaar van aanzienlijke filmproductie aan vooraf waren gegaan. Het was een van de redenen voor Jan de Vaal om Filmliga-man Joris Ivens te adoreren en een buitenproportionele plaats in de activiteiten van het museum te geven.* De Vaal had al gauw uitstekende contacten over de hele wereld en zijn verzameling films, affiches en andere attributen groeide snel. Distributeurs gingen het filmarchief een beetje beschouwen als een dumpplaats voor hun overtollige celluloid en De Vaal nam hun afval met veel genoegen in ontvangst. Na een zwerftocht langs verschillende opslagplaatsen kwam de collectie terecht in bunkers in de duinen. Vanaf 1952 hield het archief, dat nu Filmmuseum ging heten, ook publieke filmvoorstellingen in zijn eigen zaal. Het kreeg een onderkomen in het Amsterdamse Stedelijk Museum, waar een redelijk bruikbare ruimte voor filmvertoningen was.
Naast De Vaals inspanningen was er nog een omstandigheid waardoor het belang van het Filmmuseum groeide. Willem Sandberg, directeur van het Stedelijk en tevens Paus van de Moderne Kunst, beschouwde de filmtak als een belangrijke toevoeging aan de kunstervaring in zijn museum en ging als de grote protector van het Filmmuseum optreden. Een publiek van kunstminnaars ging de filmvoorstellingen frequenteren die er een tot twee keer per week werden gehouden. Ze kregen er de vooroorlogse avant-garde te zien, maar ook de grote naoorlogse documentaristen en later ook de vernieuwende werken uit Italië en Frankrijk en de Amerikaanse experimentelen. De Vaal haalde grote buitenlandse regisseurs naar Amsterdam en organiseerde bijeenkomsten voor vakmensen en kenners. Het Filmmuseum werd voor hen een belangrijke ontmoetingsplaats.
Begin jaren zeventig betrok het Filmmuseum enkele ruimten in hetzelfde Vondelparkpaviljoen waar het nu nog steeds zit, en vanaf 1974 werden ook de voorstellingen daar gehouden. Met de groeiende faciliteiten en grotere financiële steun nam in de jaren tachtig ook de kritiek toe. Het Filmmuseum werd als een gesloten bastion ervaren. Het aantal voorstellingen bleef er bescheiden en het bezoekersaantal schommelde in het Vondelpark in de eerste helft van de jaren tachtig tussen een maximum van 4588 en een minimum van 1940 per jaar - niet bepaald veel. De bibliotheek was maar een paar uur per week geopend. De enorme massa's films, affiches en foto's die De Vaal van de ondergang had gered, werden een last, want er was weinig geld om ze te conserveren en niemand had nog overzicht over wat er allemaal in de opslagruimten lag.
Midden jaren tachtig kwam het tot een botsing. De overheden waren er inmiddels van overtuigd geraakt dat het filmerfgoed belangrijk was en Den Haag was bereid aanzienlijk meer geld aan het Filmmuseum beschikbaar te stellen dan voorheen. Maar niet wanneer het door Jan de Vaal werd geleid. Men geloofde niet dat hij er na bijna veertig jaar trouwe dienst in zou slagen van koers te veranderen en er een open, op een groter publiek gericht en goed georganiseerd museum van te maken. De Vaal verdween van het toneel en na een kort intermezzo werd Hoos Blotkamp de nieuwe directeur, een hoge cultuurambtenaar van het ministerie en bovendien voormalig conservator van het Centraal Museum in Utrecht.
Zij wist het Filmmuseum inderdaad vlot te trekken. Was het eerst vooral gericht op een kleine schare insiders, Blotkamp zette 'de ramen open.' Het aantal voorstellingen en het aantal bezoekers groeide spectaculair. Vonden in de 11 jaar tussen 1952 en 1963 1100 voorstellingen plaats (gemiddeld minder dan twee per week), in de 23 jaar tussen 1963 en 1986 circa 4000 (gemiddeld minder dan vier per week), Blotkamps verschijnen betekende een breuk met deze periode: in de negentien jaar van 1988 tot het jubileum van 2006 waren er 36.000 voorstellingen (gemiddeld ruim 34 per week). Verder werden de bezittingen geïnventariseerd. Talrijke films konden worden geconserveerd en het museum werd onder Blotkamps bewind op dit gebied een internationaal toonaangevende instelling.
Blotkamp zag het nut van een scheiding tussen zakelijke en artistieke leiding en stelde Eric de Kuyper als adjunct aan. Hij stortte zich als een archeoloog op de films die vaak al tientallen jaren onaangeroerd in de opslagbunkers van het Filmmuseum lagen. Peter Delpeut trad als opvolger van De Kuyper in diens voetsporen. Ze namen de Filmmuseum-collectie tot basis voor een eigenzinnige programmering, waarin ook het onverwachte en marginale een belangrijke plaats kreeg en niet meer alleen werd gekeken naar de canon van grote namen. Beide waren zelf filmmaker en Delpeuts Lyrisch nitraat was in feite een lofzang op de onvermoede rijkdommen in de Filmmuseum-collectie. Ook onder de volgende adjunct Ruud Visschedijk werd in grote lijnen op dezelfde weg verder gegaan, ondermeer met voorstellingen waarin de oude bioscoopervaring werd opgeroepen: lang voor het weer in de mode kwam, werden zwijgende films in het Filmmuseum consequent met live-muziek vertoond, soms zelfs met explicateurs en variété. Op één gebied bleef (en blijft) het Filmmuseum worstelen, zoals het dat al sinds de oprichting heeft gedaan: het wist maar zelden iets zinnigs te zeggen over de grote publieksfilm, behalve wanneer hij heel oud was.
Het chronische huisvestingsprobleem waar De Vaal al tegenaan was gelopen, bleef ook Blotkamp bezighouden. Het grote publiek denkt al gauw dat het Filmmuseum een gebouw in het Vondelpark is met een handjevol personeelsleden. In werkelijkheid kreeg het in de loop der tijd aanvullende vestigingen in Amsterdam, Overveen, Castricum, Vijfhuizen, Utrecht en nog wat plaatsen, voor opslag, restauratie, enzovoort. Bij het museum werkten in 2006 rond de 120 mensen. Kortom: versnippering en moeizame logistiek.
Eind jaren negentig werd met een paar instellingen voor fotografie en nieuwe media een plan voor een Beeldinstituut ontwikkeld waar de groeiende synergie tussen verschillende media zijn plaats moest krijgen en de ruimteproblemen tot het verleden zouden behoren. De gemeente Rotterdam zegde er royale financiële middelen voor toe en staatssecretaris Rick van der Ploeg gooide zich erachter. Blotkamp en Visschedijk bereidden de overstap van het museum naar Rotterdam voor, overigens met behoud van het Vondelparkpaviljoen, want ook daarvoor was budget beschikbaar van buiten Amsterdam. De gemeente Amsterdam zelf had al jaren niet meer dan het absolute minimum voor het museum gedaan en schrok pas wakker toen er verhuisplannen werden aangekondigd. Blotkamp en Visschedijk gingen ten onder in het daaropvolgende politieke geharrewar tussen de Amsterdamse en de Rotterdamse lobby's binnen de Partij van de Arbeid en vertrokken in 2000. Maar dat het museum sinds 1987 een sterke impuls heeft gekregen en bij zijn 60-jarige jubileum een instituut van belang was, hebben we voor een groot deel te danken aan Blotkamps twaalfjarige directeurschap.
Met de volgende directeur Rien Hagen verdween het afzonderlijke artistieke leiderschap. Adjunct Rieks Hadders nam een deel van de directietaken op zich en was daarnaast vooral distributeur van hedendaagse films. Beide waren in functie tot 1 september 2007. In zekere zin konden zij de vruchten plukken van de strijd tussen Rotterdam en Amsterdam: de hoofdstad was voor het eerst wel geïnteresseerd in het Filmmuseum en met omzeiling van vele klippen wisten Hagen en Hadders hun nieuwbouwplannen erdoor te krijgen. Wanneer alles volgens plan verloopt wordt eind 2011 het fraaie gebouw van de architecten Delugan-Meissl op de punt van Amsterdam-Noord geopend - een soort paddestoel - met een afzonderlijk collectiegebouw vlakbij.
Onder Hagen werd de succesvolle tweejaarlijkse Filmmuseum-Biënnale geïnitieerd, waarin ondermeer het Amsterdamse Concertgebouw, het Muziekgebouw aan het IJ, Paradiso en de Stadsschouwburg een rol spelen. Afgaand op de verdere programmering was hij vooral geïnteresseerd in Nederlandse filmers die op de rand van de beeldende kunst opereren. Interessant, maar ook een wat eenzijdige taakopvatting. Voor het overige had het museum onder zijn bewind veel conventionele filmhuisprogrammering. De collectie stond minder in het middelpunt dan in de periode voor 2000. Programma- en collectieafdelingen werden naar verluidt organisatorisch meer op elkaar afgestemd, maar in de programmering was daar niets van te merken. In september 2007 namen Rien Hagen en Rieks Hadders afscheid en werd Sandra den Hamer directeur.
De grote sprong over het IJ van voorheen het Filmmuseum, nu 'Eye Filminstituut Nederland', wordt het begin van een nieuw tijdperk, met grote risico's en nieuwe perspectieven. Wat de overhand krijgt, blijft afwachten.
Hans Schoots. Update dd 2008 van een artikel dat eerder is verschenen in de Filmkrant.
UPDATE ZOMER 2010:
De verhuizing van het Filmmuseum naar Noord omvatte vanaf het begin twee bestanddelen, een presentatiegebouw (de paddestoel) aan het IJ en een eindje ten noorden daarvan het nieuwe geklimatiseerde collectiegebouw voor het bewaren van de immense filmcollectie, de honderdduizenden foto's en affiches en de papieren archieven van vele filmmakers en filminstellingen.
Inmiddels heeft ING Real Estate, het vastgoedbroertje van de ING-Bank, zich teruggetrokken als medefinancier van het collectiegebouw, waardoor de bouw ervan op losse schroeven staat. De overheden zullen dit gat moeilijk kunnen dichten. Zowel bij het ministerie als bij de Gemeente Amsterdam moet de onvermijdelijke bezuinigingsronde op cultuurgebied nog komen. In bijvoorbeeld de provincie Zeeland is die al wel aangekondigd: alle musea moeten daar 20% inleveren.
Het waarschijnlijke gevolg is dat het collectiegebouw er helemaal niet komt, of pas na lang uitstel. De collecties en het grootste deel van het personeel zullen daardoor nog vele jaren op tijdelijke lokaties verblijven, met name in Vijfhuizen bij Schiphol en op het Amsterdamse industriegebied Overamstel.
De kwalijke ontwikkelingen rond het collectiegebouw kunnen niet aan 'de omstandigheden' worden geweten. Ze zijn een logische voortzetting van het gevoerde beleid. Dit is teveel gericht geweest op uiterlijke schijn en prestige ten nadele van kerntaken van het museum. De collecties en het collectiegebouw kwamen voor de museumleiding al veel langer op de tweede plaats. Dit blijkt ook uit de ongelijktijdigheid waarmee aan de twee gebouwen is gewerkt: terwijl de paddestoel er zomer 2010 al voor een deel staat, bleef het collectiegebouw steken in het planstadium. Inmiddels hoeft het wellicht helemaal niet meer.
Zo blijft het huisvestingsprobleem waar het Filmmuseum al meer dan een halve eeuw mee worstelt doodleuk bestaan, ondanks alle miljoenen die in de nieuwbouw worden gestoken. Het ziet er steeds meer naar uit dat het nieuwe gebouw gewoon een filmhuis naast andere wordt, al is het dan wel een mooi en groot filmhuis.
Een andere kwestie is dat het Filmmuseum in opdracht van Den Haag een filmsectorinstituut moest worden. Vandaar nu Eye Film Instituut Nederland. Probleempje: het bevorderen van en dienstverlenen aan de professionele filmsector vereist wel wat kantoorruimte. In de paddestoel komt die nauwelijks. Alles is daar gericht op de filmvoorstellingen en de tentoonstellingsruimte. Mijn suggestie voor een goed onderkomen voor de betreffende diensten: Jan Luykenstraat 2 te Amsterdam. Daar zit het Filmfonds al en ook Holland Film - dat de Nederlandse film in het buitenland promoot - zat er goed, voordat het vanwege het sectorinstituut in het bezemhok van het huidige Filmmuseum aan het Vondelpark terecht kwam. Overigens moet dit laatste gebouw, evenals het belendende Filmmuseum-pand dat 'de school' wordt genoemd, volgens de plannen worden afgestoten om de exploitatie in Noord rond te krijgen.
Is er dan nergens meer redding?
* Een greep uit de Ivens-programmering van het Filmmuseum onder directeur Jan de Vaal:
'Joris Ivens in het NFM', retrospectief 1960.
Ivens-retrospectief i.s.m. met de Filmacademie, 1963.
'Joris Ivens 70!', retrospectief 1968.
'Joris Ivens 75', retrospectief 1973.
Joris Ivens retrospectief + tentoonstelling 'Joris Ivens Wereldcineast', 1978.
'Aan Joris Ivens eindelijk rechtgedaan', Ivens-programma 1982.
'Joris Ivens 85 jaar', retrospectief 1983.
Naar aanleiding van het overlijden van de regisseur organiseerde Filmmuseum-directeur Hoos Blotkamp in 1989 een Ivens-retrospectief.