Kämpfer/Bortsy. Moskou 1936

EEN DOCUMENTARIST DIE SPEELFILMS WILDE MAKEN
Verhalen in de wind


Toen de laatste film van Joris Ivens, Une histoire de vent, in 1988 uitkwam, waren velen verbaasd over het hybride karakter ervan. De meeste critici zagen in deze film, met zijn merkwaardige mengeling van realiteit en fictie, een Fremdkörper in Ivens' oeuvre. Op zijn minst leek het een onverwachte wending en inhoudelijk was het dat ook: de mystieke belangstelling die de regisseur plotseling demonstreerde was nieuw, oppervlakkig en maakte een weinig oprechte indruk. De impliciete kritiek op het radicaal-communistische karakter van sommige eerdere Ivens-films was halfslachtig en deels werd de verantwoordelijkheid ervoor afgeschoven op Chinese functionarissen. Aan de andere kant was de mix van documentaire en speelfilm in Une histoire de vent een logisch resultaat van ideeën die Ivens al sinds het einde van de jaren twintig langzamerhand had ontwikkeld.

Joris Ivens staat te boek als documentaire filmer, en wie zijn filmografie overziet, kan moeilijk een andere conclusie trekken. Maar in zijn films is niet altijd te zien waarover hij fantaseerde, wat níet werd gerealiseerd. Ook van zijn memoires - The camera and I uit 1969 en Aan welke kant en in welk heelal uit 1983 - wordt de lezer in dit opzicht weinig wijzer. Veel meer wordt duidelijk uit de archivalia die hij heeft nagelaten: correspondentie, filmplannen, onuitgevoerde draaiboeken. Uit al deze documentatie komt het beeld naar voren van een regisseur die steeds weer de wens koesterde speelfilms te maken en die uitgesproken opvattingen ontwikkelde over de relatie tussen documentaire en speelfilm.

Al in mei 1927, nog voor Ivens begon te werken aan zijn eerste volledige film De brug (1928), deed hij in Amsterdam een poging tot een speelfilm. Uit notities blijkt dat daarvoor daadwerkelijk enkele opnamen zijn gemaakt met de actrice Charlotte Köhler. Als basis voor de film zou een scenario van de dichter Hendrik Marsman dienen. Mogelijk ging het daarbij om De Vliegende Hollander, een filmidee waarvoor Marsman in ieder geval een soort synopsis schreef. Rond diezelfde tijd begon Ivens met de schrijver en beeldend kunstenaar Erich Wichman aan een hybride filmpje met de titel De zieke stad, waarin ze zelf figureerden.

In 1928 begonnen Ivens, Mannus Franken en de schrijver Jef Last aan de speelfilm Branding. Het idee kwam van Last, Franken deed de regie en Ivens het camerawerk. Het was de tijd van de Filmliga, de vereniging die de filmkunst wilde bevorderen. Omdat de theoretici van de Liga van mening waren dat 'ritme en beweging' de essentie van de filmkunst uitmaakten, stonden ze sceptisch tegenover speelfilms, waarin het acteren tenslotte al snel van de filmische vorm afleidde. De film die Ivens en zijn vrienden in het vissersdorp Katwijk hadden opgenomen, werd onder filmkunstliefhebbers dan ook niet erg enthousiast ontvangen, hoewel de vertelling volgens de makers zelf 'in dienst van de montage en de compositie stond'. Achteraf gezien was het geen slechte film, zeker niet wanneer we bedenken dat er in Nederland nauwelijks nog speelfilms werden gemaakt sinds het bedrijf Hollandia Film in 1923 werd opgedoekt. Maar wie zich bij de Filmliga geliefd wilde maken, kon beter wat anders maken dan een speelfilm.

Joris Ivens was lid van het Filmliga-bestuur, maar zelf was hij geen theoreticus en in de discussies die binnen de Liga werden gevoerd, was hij eerder volger dan aanvoerder. Wel was hij diep onder de indruk van de visies die de theoretici ontwikkelden. Het manifest van de Liga gold voor hem als een bijbel, schreef hij in zijn memoires. In de daarop volgende jaren probeerde hij de daarin neergelegde opvattingen als filmmaker in praktijk te brengen. De filmische vorm werd hoofdzaak, maar hij was een praktisch ingesteld man en zijn films bleven altijd een band met de realiteit behouden. Volledig abstracte en surrealistische films, die bij de Filmliga hoog gewaardeerd werden, liet hij aan anderen over. Het leidde tot een aantal van zijn belangrijkste films, waaronder De brug (1928), Regen (met Mannus Franken, 1929) en Zuiderzee (1930).

Er begon een nieuwe fase in zijn ideeën over film toen hij in de jaren 1931-1932 in de Mezjrabpom-studio in Moskou ging werken. De sterregisseur van deze studio was Vsevolod Poedovkin, die met zijn films De moeder (1926) en Het einde van Sint-Petersburg (1927) beroemd was geworden. Net in die tijd vond in de studio een strijd plaats tegen zogeheten formalisten, die opvattingen aanhingen die verwant waren met die van de Filmliga. Poedovkin behoorde tot de voormannen van de anti-formalisten. Hij vond bijvoorbeeld dat Ivens in de documentaire film waaraan hij toen in de Sovjetunie werkte, een fictieverhaal met een hoofdfiguur moest verwerken, met wie het publiek zich kon identificeren. Kort gezegd moest er een socialistisch-realistische held worden gecreëerd. Ivens was toen bezig met Heldenlied (1933), waarin hij inderdaad probeerde een verhaal te verwerken over een boer die metaalarbeider wordt. Een erg geslaagde poging was het niet, en alles bijelkaar bleef Heldenlied een film die beter voldeed aan de eisen van de Filmliga dan aan de nieuwe criteria van de Sovjet-film. Ivens had meer oog voor de bouw van de gigantische industriële installaties in de staalstad Magnitogorsk dan voor individuele personages of verhaaltjes. Gevolg was dat het maanden duurde voor de Sovjet-censuur bereid was de film voor vertoning vrij te geven.

Maar Heldenlied werd voor lange tijd Ivens' laatste film waarin het vormexperiment domineerde. Onder invloed van de debatten in Moskou bekeerde hij zich tot het socialistisch realisme, en het politiek-verhalende kwam in het middelpunt te staan. Kunst was één ding, belangrijker werd de vraag: hoe de Boodschap over te brengen op het publiek. In volgende twintig jaar probeerde Ivens steeds opnieuw een herkenbare hoofdpersoon in zijn documentaires te laten optreden, net als Poedovkin het had aanbevolen. Om allerlei redenen lukte dit nooit helemaal. In de Spaanse burgeroorlog raakte hij halverwege de opnamen zijn held kwijt aan het front, en toen hij een jaar later in China filmde, was de toestand daar zo chaotisch, dat het onmogelijk was er planmatig te werken. Toch schreef hij in 1938 na zijn terugkeer uit China: 'Het idee van een hoofdpersoon is duizend maal juist.'

Het debat in de Moskouse Mezjrabpom-studio is ook de oorsprong van Ivens' theorie over de zogeheten reconstructie in de documentaire film. Hij vond dat je een gebeurtenis rustig kon laten naspelen, wanneer de film daar sterker door werd. Een vaak genoemd voorbeeld is zijn mijnwerkersfilm Borinage (met Henri Storck, 1934). Daarin liet Ivens een demonstratie herhalen, die in werkelijkheid een jaar eerder had plaats gevonden. Er is weinig bezwaar tegen deze methode, wanneer het gaat om de herhaling van iets dat echt heeft plaats gevonden. Anders werd het, toen hij in hetzelfde jaar een Russische versie van Borinage vervaardigde en daarvoor welhaast sprookjesachtige levensomstandigheden van mijnwerkers onder het socialisme liet 'naspelen', die in werkelijkheid niét bestonden.

Ivens heeft dus niet alleen met zijn steeds terugkerende hoofdpersoon maar ook via 'reconstructies' al vroeg fictieve elementen in zijn documentaires geïntroduceerd. Hij wilde zich er niet toe beperken de realiteit te documenteren, maar uitdrukken wat hij zijn 'eigen waarheid' noemde. In de praktijk was dit vaak de waarheid van de communistische partij. Al met al vond er in 1932 een belangrijke omslag plaats in Ivens'denken: de ideeën van de Filmliga waarin de vorm voorop stond en men argwanend stond tegenover de acteur en het verhaal, werd vervangen door een positieve houding tegenover het gebruik van (amateur-) acteurs en fictieve vertellingen in de documentaire. Het was een eerste stap in het bijelkaar brengen van documentaire speelfilm.

In de jaren dertig maakte Ivens bovendien diverse plannen voor volwaardige speelfilms. In 1933 had hij overleg met een Belgische schrijver over een verfilming van Tijl Uilenspiegel. In 1934 werkte hij met de Franse auteur André Malraux aan een scenario naar diens boek La Condition Hunaine (Het menselijk tekort), en het jaar daarop diende hij bij Mezjrabpom verschillende speelfilmvoorstellen in: een volgend plan voor een Tijl Uilenspiegel-verfilming en een script naar de roman Die weisse Rose (De witte roos) van B. Traven. In de Sovjetunie werd toen de leus 'Films voor miljoenen' geïntroduceerd, en om die te verwerkelijken waren op de eerste plaats speelfilms nodig. Maar Ivens slaagde er niet in een van zijn plannen van de grond te krijgen. Wel werkte hij met de uit Duitsland geëmigreerde regisseur Gustav von Wangenheim aan de fictie-film Kämpfer/Bortsy (Strijders) die zowel in een Duitse als een Russische versie werd opgenomen. Maar Von Wangenheim manoevreerde Ivens op een zijspoor en maakte de film alleen af.

Toen Ivens vervolgens naar de Verenigde Staten verhuisde, waar hij ondermeer een aantal jaren in Hollywood verbleef, broedde hij opnieuw op speelfilmprojecten. Het bekendst werd Woman of the Sea, waarvoor Greta Garbo aanvankelijk de hoofdrol zou spelen. Zij veranderde echter op het laatste moment van gedachte en keerde terug naar haar al een paar jaar eerder genomen besluit nooit meer in een film op te treden. In 1944 was Ivens tenslotte nog adviseur bij het door William Wellman geregisseerde The Story of GI-Joe. In Hollywood bestond in de laatste oorlogsjaren een streven naar een zo groot mogelijk realisme in speelfilms, en daarvoor werd Ivens'documentaire ervaring ingezet. Dat jaar organiseerde hij ondermeer een cursus voor medewerkers van Hollywood-studio's.

Wat de relatie tussen documentaire en speelfilm betreft was zijn belangrijkste werk uit de oorlogsperiode de film Power and the Land (1940) over de introductie van elektriciteit in het boerenbedrijf. Hij liet dezelfde boerderij zonder en met stroom zien. Het gedeelte 'zonder elektriciteit' werd door de boerenfamilie nagespeeld, omdat ze in werkelijkheid al stroom hadden. In feite werd de hele film van begin tot einde gespeeld. Om een politiek conflict op het platteland te ensceneren werd zelfs een schuur in brand gestoken. De vlammen sloegen over naar een veld en er gebeurden bijna ongelukken. De scène met de brandende schuur werd door de opdrachtgever (het Amerikaanse ministerie van landbouw) afgekeurd en uiteindelijk door Ivens in een van outtakes vervaardigd filmpje gebruikt. Hoe dan ook was Power and the Land Ivens' meest geënsceneerde film tot dan toe. De leden van de boerenfamilie speelden er zichzelf in - de volgende stap was die naar professionele acteurs.

Midden jaren veertig ontwikkelde Ivens een min of meer uitgewerkte theorie over de toekomst van het filmmedium, die hij in de eerste naoorlogse jaren tijdens lezingen op verschillende plaatsen in Europa uit de doeken deed. In Amsterdam legde hij zijn toehoorders uit dat documentaire en speelfilm in elkaar op moesten gaan. Een tendens in die richting nam hij waar in het toenemende realisme van de Hollywood-films uit de oorlog, en in de Britse film van de naoorlogse jaren, waar de beste speelfilms door documentaristen werden gemaakt. Als voorbeeld noemde hij Brief Encounter van David Lean. Documentaire films moesten elementen uit de speelfilm overnemen, vooral wat betreft de dramatische opbouw.

Op dat moment kende hij het Italiaanse neorealisme nog niet, maar later noemde hij deze richting te documentair en verweet hij haar 'anecdotisme'. Zijn ideaal lijkt dus een speelfilm te zijn geweest die zich tegen een documentaire achtergrond afspeelde en waarin een duidelijke wereldbeschouwing tot uitdrukking werd gebracht. Eind jaren veertig kreeg hij gelegenheid deze ideeën zelf in praktijk te brengen. In 1949 voltooide hij De eerste jaren, samengesteld uit delen die ieder in een ander Oosteuropees land werden opgenomen. Het in dit verband meest interessante gedeelte werd opgenomen in Polen. Hier ging hij in zijn oude streven een documentaire rond een centrale figuur op te bouwen zo ver, dat het resultaat zonder meer als speelfilm beschouwd kan worden. Het tot in detail uitgewerkte verhaal draaide om een vrouw uit Warschau, die tijdens de oorlog alles had verloren en zonder hoop verderleefde. Tot ze een baan kreeg in een staalfabriek en daar zo onder de indruk kwam van de inzet van de arbeiders voor de wederopbouw, dat ze haar geloof in de toekomst terug kreeg. De hoofdrol werd door een semi-professionele actrice gespeeld, die overigens geen credits kreeg - vermoedelijk uit tactische overwegingen: er was een documentaire besteld. Deze film markeerde een nieuwe stap in de door Ivens nagestreefde richting. Het documentaire element was nu niet veel meer dan een stijlmiddel geworden: de waarheid zoals Ivens die zag, werd hoofdzakelijk verteld via het fictieverhaal. De daaropvolgende jaren waren een periode van artistieke stagnatie: Ivens stortte zich in een routine van Oosteuropese congresdocumentaires.

Pas midden jaren vijftig diende de gelegenheid zich aan een echte avondvullende speelfilm te draaien. De Stalin-tijd was voorbij en ter bevordering van de ontspanning tussen Oost en West werd besloten in een co-productie tussen de DDR en een Franse producent De avonturen van Tijl Uilenspiegel te verfilmen. Ivens trad op als vertegenwoordiger van de Oostduitse DEFA-studio en werd regisseur. De populaire Franse acteur Gérard Philipe kreeg de hoofdrol. Maar in de loop van de productie nam Philipe ook de regie over en trok Ivens zich terug op een adviseursfunctie. In brieven aan vrienden schreef hij dat hij deze herverdeling van verantwoordelijkheden best vond, omdat Philipe de regie veel beter deed dan hij. Hoewel Ivens dit zo ridderlijk toegaf, moet de in 1956 uitgekomen film na dertig jaren van onuitgevoerde plannen, voorstellen en speelfilmscenario's een grote teleurstelling voor hem zijn geweest. Een poging om in zijn werk op een ander spoor te komen was mislukt. Aan zijn broer schreef hij kort daarna dat hij zich voortaan bij de documentaire hield.

Zijn volgende film, La Seine a rencontré Paris (De Seine ontmoet Parijs) uit 1957, verwees terug naar zijn vroegste werk, vooral naar Regen uit 1929, en leunde verder op conventies uit de Franse documentaire van de jaren vijftig. Afgezien van nog een klein uitstapje af en toe, richtte Ivens zich in de twintig jaar daarna op documentaires met actuele politieke thema's. Hij berichtte over de klassenstrijd in China, Vietnam, Laos, Cuba. Toch kwamen er na verloop van tijd weer speelfilmplannen op. Eind jaren zestig vroeg hij in Nederland subsidie voor De Vliegende Hollander. Maar toen hem gevraagd werd een scenario in te leveren, duurde dat jaren, omdat hij het te druk had aan 'de fronten van de wereldrevolutie'.

Onderweg van en naar Vietnam maakten Ivens en zijn vrouw Marceline Loridan tussenstops in Moskou, waar ze Sovjet-filmmakers ontmoetten. Ze waren er verontwaardigd over, dat zij apolitieke en poëtische films maakten, terwijl in Vietnam de oorlog gaande was. Hoewel Ivens wel praatte over een film over De Vliegende Hollander, was hij teveel bezig met andre zaken om er tijd voor vrij te maken.

In de jaren tachtig kwam hij tenslotte tot de overtuiging dat hij het artistieke in zijn films te vaak uit politieke overwegingen op de tweede plaats had gesteld. Pas in zijn laatste film Een verhaal van de wind, die tussen 1985 en 1988 werd gedraaid, keerde hij terug naar zijn oude idee documentaire en speelfilm in elkaar op te laten gaan. Scènes die op het eerste gezicht documentair leken, waren in deze film volledig geënsceneerd. Ivens creëerde zijn eigen realiteit en speelde daarin zelf de hoofdrol. Een demonstratief voorbeeld is het moment waarop hij op een stoel in de woestijn op de wind zit te wachten. Wanneer de werkelijkheid niet snel genoeg meewerkt worden 'magische krachten' en filmmontage ingezet om het waaien te laten beginnen. Verder zijn er documentaire scènes, waarin dan plotseling de Apenkoning, een figuur uit de Chinese mythologie ten tonele verschijnt. Weer andere scènes kunnen alleen maar als speelfilmfragmenten worden beschouwd. Zoals die waarin de zieke 'Ivens' - gespeeld door een acteur - aan zijn bed in het ziekenhuis wordt bezocht door een draak. Een indrukwekkende en symbolische scène is die waarin Ivens zelf de terracotta soldaten uit de tijd van de Ching-dynastie met een tik op de grond tot leven wekt. Je zou kunnen zeggen dat ze vanuit de realiteit het rijk van de fantasie in marcheren.

In Een verhaal van de wind slaagde Ivens er zo op ongewone wijze in de grens tussen speelfilm en documentaire uit te wissen, waarbij niet onvermeld mag blijven, dat hij voor dit project grote steun kreeg van scenarioschrijfster Catherine D. die een aantal van de fictie-elementen inbracht, en van zijn vrouw Marceline Loridan, die meermaals de leiding overnam, wanneer Ivens de hoofdrol speelde of wegens ziekte afwezig was.

Al met al is Ivens er gedurende zijn filmloopbaan nauwelijks in geslaagd speelfilms of speelfilmachtige films te maken. Twee keer begon hij als regisseur aan een speelfilm: Bortsy in het Moskou van de jaren dertig en De avonturen van Tijl Uilenspiegel in de DDR van de jaren vijftig. In beide gevallen werd hij door een collega opzij gezet. Reden kan zijn dat hij geen goede acteursregisseur was. In de persoonlijke omgang wilde hij liefst elk conflict vermijden, tot zijn stemming tenslotte omsloeg en hij geïrriteerd raakte omdat het werk niet vorderde. Een misschien wat ongelukkige combinatie van eigenschappen te midden van de hektiek op de set van een speelfilm. Maar of dit het voornaamste probleem was, zal speculatie moeten blijven, omdat Ivens zichzelf maar zelden in een situatie heeft gebracht, waarin hij zijn vaardigheden op dit gebied kon demonstreren.

Want in het werkelijke leven dienden Ivens' films sinds de jaren dertig meestal een politiek utilitarisme. Door daaraan voorrang te geven heeft hij zich grotendeels de gelegenheid ontnomen zichzelf als filmmaker te vernieuwen. Zelfs de mogelijkheden die hiervoor in de socialistische landen bestonden benutte hij zelden. De collega's in Moskou die het wel deden - 'terwijl het in Vietnam oorlog was' - verweet hij dat. En wanneer hij eenmaal een apolitieke film maakte, was het meestal in een weinig vernieuwende rustpauze na een tijdperk van politieke hektiek, zoals bij La Seine a rencontré Paris. De politiek was een artistieke dwangbuis, die Ivens zichzelf vrijwillig heeft aangetrokken.

Licht bewerkte vertaling van: Hans Schoots, 'Ein Dokumentarist, der Spielfilme drehen wollte' in Jan-Pieter Barbian en Werner Ružicka (red), Poesie und Politik. Der Dokumentarfilmer Joris Ivens (1898-1989), Trier 2001.

De gegevens voor dit artikel zijn ontleend aan Hans Schoots, Gevaarlijk leven. Een biografie van Joris Ivens, dat uitgebreide bronverwijzingen bevat.

^